| Dansk | Nederlands | Français | English | |
|
Literatuur Jens Henrik Jensen - De heks van Kraków Vertaald door Kor de Vries 352 pagina's ISBN13 9789044501254 Jens Henrik Jensen (1963) is journalist en thrillerschrijver. In 1997 debuteerde hij met Wiener Ringen , in hetzelfde jaar volgde Heks van Kraków , waarvoor hij een jaar lang in het Poolse Kraków veldwerk verrichtte.
In De heks van Kraków wordt CIA-agent Jan Jordi Kazanski van verlof teruggeroepen om in het Poolse Kraków contact te zoeken met De Heks. Na jaren van stilzwijgen heeft deze CIA-informante via een tussenpersoon weer van zich laten horen. Ze beweert informatie te hebben over een dubbele moord in Moskou. Net aangekomen in Kraków is Kazanski meteen al doelwit van een moordaanslag. Samen met een Deense Europol-agente opent Kazanski de jacht op De Heks. Het tweetal komt op het spoor van een belangrijke mensensmokkel. Tekstfragment: 'Pardon. Ik hoorde dat u erbij was toen gisteren die auto explodeerde. Dat is verschrikkelijk. Bent u gewond geraakt?' Kazanski keek van zijn ontbijt op en zag een glimlachend, vriendelijk gezicht. Toen sloeg hij langzaam weer de ogen neer. Aan het blonde haar te zien gokte hij dat het de vrouw moest zijn die de vorige dag was aangekomen. Die met de kleine rode koffer. Ze sprak Pools, dus antwoordde hij in het Pools. 'Nee, alleen maar een schrammetje.' Hij wees op de pleister op zijn voorhoofd. 'Wat is er gebeurd?' 'De auto vloog de lucht in...' 'Hoe denkt u dat het gegaan is?' 'Geen idee...' 'Wat zei de politie?' 'Niks.' 'Geen vermoeden?' 'Dat geloof ik niet.' 'Een jongeman is erbij omgekomen, toch?' 'Ja.' 'Tragisch.' 'Vader van twee dochtertjes...' 'Ach, nee. Ik hoorde dat het uw auto was?' 'Nee...' 'Dan heb ik het vast verkeerd gehoord.' 'Het was een auto van Avis...' 'Ah, op die manier. U had vermoord moeten worden, nietwaar?' 'Misschien.' 'Dat zou je toch denken... Mag ik u gezelschap houden?' 'Doe wat je wilt, maar zeg alsjeblieft "jij". Ik ben zo iemand tegen wie je "jij" zegt...' 'Oké.' Xenia Pizlo Larsen zweeg. Ze had even geaarzeld, maar ze kon het net zo goed vragen. Op dit moment waren ze alleen in de zaal en het kwam een beetje dom over om elk aan een kant van de ruimte te gaan zitten. En daarbij was ze ook nieuwsgierig. Maar het zou wel eens een lang ontbijt kunnen worden. De man tegenover haar was allesbehalve spraakzaam. Hij had helemaal geen aandacht voor haar en dat verbaasde haar. Die paar lettergrepen had hij zo'n beetje tegen zijn ontbijt gezegd. De lucht tussen hen in stond nu stil, vond ze. Ze nam een paar seconden om hem te bekijken. Hij had brede schouders en het witte T-shirt zat strak om zijn bovenarmen en zwol op bij de boorden. Haar ogen bleven automatisch hangen bij het begin van een ader. Die kwam als een bron naar boven en slingerde zich over de arm. Vervolgens verdween hij, dook verder naar beneden weer op en splitste zich in een delta van blauwe stroompjes die over de pezige onderarm liepen en verdwenen onder de stalen ketting om de pols. Hij droeg zijn horloge om zijn rechterarm. Een bijzonder gezicht. Ze was niet gewend aan deze stilte. Een gereserveerdheid zonder geluid. Hij was vijfendertig à zevenendertig jaar oud, gokte ze. Hij zag er nog steeds een beetje gehavend uit. Zijn haar was bij de slapen wat teruggeweken, maar dat stond hem goed. Een vochtige lok zat op zijn voorhoofd geplakt, als een sierlijke g-sleutel op de lage notenbalken, gevolgd door een paar korte plukken, twee hoge c's en een f. Net als toen ze hem bij de receptie had gezien, leek het alsof hij zojuist een halfuur onder de douche had gestaan. Hij had vier lachrimpels bij zijn ogen, die ze op dit moment niet kon zien. De rechte neus had een bijna onzichtbare afwijking. Hij was vast een keer gebroken geweest. Hij hief nog steeds zijn hoofd niet op en concentreerde zich onverstoorbaar op het pellen van zijn ei. Hij had lange slanke vingers, die werden geactiveerd door spieren die bij elke beweging op de rug van de hand omhoogkwamen. Óf hij was onhandig, óf het was de breekbaarheid van de eierschaal die het er zo deed uitzien. Nu moest de stilte ophouden. Het ei was zorgvuldig gepeld, zodat er geen stukjes meer waren achtergebleven. Het viel haar zwaar dat ze het initiatief moest nemen. Zijn jukbeenderen zaten een beetje hoog, en samen met de brede mond en de vierkante stoppelige kin onderstreepten ze de kenmerken van zijn gezicht. Nu. De man zette eindelijk het ei in het eierdopje en strooide er peper en zout op. Vervolgens keek hij op, in een langzame en weloverwogen beweging. Misschien had hij het gevoel gekregen dat ze hem stiekem bekeek en wilde hij haar een kans geven om ermee op te houden. Hij keek haar recht aan. Hij had iets besluitvaardigs en koppigs over zich, maar toch kwamen de bruine ogen warm en levendig over. Rondom de ogen was de dunne huid donker en de wallen eronder gaven heel duidelijk aan dat hij óf heel erg vermoeid was, óf een zwaar leven leidde. Hij vertrok geen spier. Nu werd de stilte bijna onhoudbaar. Toen veranderde het slaapdronken masker in een scheve grijns. Plotseling begon de man te praten, helemaal uit zichzelf. Ze schrok er een beetje van. 'Oké. Ontbijt, nietwaar? Ik krijg honger als ik zo'n beetje wakker begin te worden. Ik ben nogal verreisd...' Hij streek met zijn wijsvinger over zijn bakkebaard, haalde een hand door zijn pikzwarte haar en veegde de noten van zijn voorhoofd. Misschien was dit stille ontdooien zijn manier om zijn excuus aan te bieden omdat hij zo kortaf was geweest. Ze glimlachte terug. Ze zocht naar een bepaald woord. Ja, ze zag een zekere melancholie in zijn ogen, zoals hij daar zat en op een zwerver leek die iets van zijn jeugdige schoonheid ergens op een binnenplaats had verloren. 'Jan Jordi Kazanski, New York, Verenigde Staten. Hallo.' Ze glimlachte weer, gaf hem ietwat onhandig een hand over de tafel heen en gooide bijna haar koffiekopje om. 'Xenia Pizlo Larsen, Kopenhagen, Denemarken.' Ze drukte lichtjes zijn hand en voelde met een zekere opluchting dat hij haar nu blijkbaar zat te bekijken - zonder dat het echt opviel. 'Pizlo. Dat is Pools?' 'Ja, de familie van mijn moeders kant is Pools. Ze zijn als landarbeiders in de suikerbieten naar Denemarken gekomen. Vroeger waren er behoorlijk veel Polen, voornamelijk vrouwen, die dat deden. Kazanski is toch ook Pools?' 'Mijn vader is een Pool. Dat wil zeggen - tegenwoordig is hij Amerikaans staatsburger.' 'Wat doet u hier in Kraków?' vroeg ze. 'Jij, jij, jij. Ik ben een "jij". Onthou dat.' Hij glimlachte weer scheefjes - en een beetje verlegen. Misschien was dat ingehouden charme. Hij ging verdorie zelfs verder: 'Ik ben journalist en ik moet iets schrijven over de opmars van Amerikaanse bedrijven in Polen. Wij Amerikanen hebben de neiging om overal naar binnen te marcheren, toch? En tegelijkertijd heb ik eigenlijk ook beloofd een portret te schrijven over de oude koningsstad. Wat doe jij hier?' 'Ik ben productiechef bij een kledingfirma. Het is vrij normaal dat Deense firma's hun naaiwerk in Polen laten doen. De lonen zijn hier veel lager dan bij ons. Zo werkt het bij ons ook. Het naaiwerk gebeurt in Bielsko-Biala, honderd kilometer ten zuiden van Kraków. Het is het op een na grootste textielcentrum van Polen, maar ik heb geen zin om daar te zitten. Het is er saai. Ik hoef hier maar een weekje te zijn en daarom heb ik Kraków gekozen, omdat het hier zo mooi is.' 'Merkwaardig. En zo komen twee halve Polen elkaar dus bij het ontbijt in Polen tegen. Gezellig. Misschien komen we elkaar nog een keer tegen voordat je naar huis gaat. Ik moet er nu helaas vandoor. Ik heb vandaag een druk programma.' Ze knikte ten afscheid en volgde hem aandachtig terwijl hij over de parketvloer naar de deur in de verste hoek liep. Daarna sneed ze een kwaadaardig vetrandje van het beleg dat ze op haar onbesmeerde boterham legde.
Lees een fragment uit "Afscheid" van Adil Erdem. - Vertaald door Els De Graef - De gedachte dat hij niet langer in zijn moedertaal zou schrijven was ontstellend en uitdagend tegelijk. Het was ook op deze momenten dat hij zich verschool in de straten van Kopenhagen en naar onbezonnenheid verlangde, terwijl de najaarsregen striemend neersloeg en hij heimelijk Deense woorden in zijn verzenboek noteerde. De woorden in de nieuwe aangeleerde taal hingen hem als regenwolken boven het hoofd en beukten hard in zijn gelaat en verdwenen in deze onnauwkeurig voorbereide ommetjes, terwijl de achtergebleven pijn zich langzaam uit zijn romp bevrijdde. Het was ook op deze momenten, wanneer hij begon te twijfelen over zijn herkomst, dat hij het innerlijk conflict dat hem langzamerhand overmeesterde, enkel kon verstommen door urenlang te slapen. Het was op één van die dagen dat hij zich onbezonnen had gewaand, dat hij zijn allereerste Deense schrijfmachine kocht. Hij smokkelde ze haast naar binnen in zijn huis in Vestegnen en zette ze neer naast de Turkse, sloot de deur en bekeek de machines met een buitengewone onrust en spanning in zijn lijf. "Doe wat jou het beste lijkt, maar denk aan de meisjes waarop je zal verliefd worden en aan de taal die jou de meeste mogelijkheden biedt om vrij te kunnen denken. Luister naar jouw innerlijke stem! Luister goed naar jouw poëzie." Deze woorden, die de lerares tot hem had gesproken, maalden hem te pas en te onpas door het hoofd. Hij had ze met hoofdletters in zijn dagboek neergepend. Het moet zowat die dag zijn geweest dat hij zich voor onbepaalde duur had ziek gemeld en zich in bed had teruggetrokken, turend naar zijn beide schrijfmachines, met een stapel boeken in elke taal, terwijl zijn bezorgde moeder eten voor hem maakte. "Moeder, ik stel je toch niet teleur, hé? Wil je mij beloven dat je nog altijd van mij zal houden en je me tegen je aan zal drukken, als ik hoge koorts maak en ik niet meer weet hoe het met mij gaat? Wil je mij beloven dat ik nog altijd op jou zal kunnen rekenen moeder, als ik mij voel zoals het grote niets, dat neerdaalt tussen de wolken? Wil je mij beloven dat je mij zal begrijpen als ik mijn liefde voor je uitdruk in het Deens of..." Toen zijn moeder hem tenslotte om meer uitleg vroeg, deed hij zijn woorden af als wartaal, gevolg van innerlijke onrust en van ziekte, en had hij eigenlijk helemaal niets gezegd dat betekenis had voor hun relatie. Hij had het liefst gehad dat zijn moeder het gesprek had afgesloten door te zeggen dat ze altijd op dezelfde manier van hem zou blijven houden. Toen zijn moeder de kamer had verlaten, dacht hij aan al de meisjes van wie hij in het Turks had gehouden. Wat zouden zij ervan zeggen dat hij niet langer in het Turks aan hen dacht of dat hij misschien gedichten over hen zou schrijven in een vreemde taal? Ga verder met je leven! Je hebt niet langer iets gemeen met de taal uit jouw jeugd, met de taal die jong zal blijven in jouw leven. Je moet in jezelf een nieuwe liefde ontdekken voor het nieuwe. Vertel de meisjes hier wat je van hen denkt! Bedenk metaforen zodat de meisjes jou zien staan! Kom dan! Mag ik het horen..? De bemoedigende woorden van de lerares wisten hem zo nu en dan te raken als een frisse wind net voor hij in de leegte viel. "Moeder, denk jij dat mijn oma teleurgesteld zal zijn, als ik niet langer in het Turks aan haar denk? Zal ik worden gestraft als in de talrijke Turkse sprookjes die ze mij als kind vertelde? Denk jij dat ze teleurgesteld zal zijn, als ze ontdekt dat ik haar in mijn verzen in het Deens bemin? Denk jij dat ik mij altijd aan haar groentesoep mag blijven verwachten, wanneer ik haar bezoek..." Hij kan het zich niet meer herinneren. Hij weet dat hij gedurende een lange periode onbedachtzaam was, ze hadden hem tweemaal in het ziekenhuis opgenomen. Daar genoot hij van de doktersgesprekken, van de eindeloze glimlach van de verpleegsters en van de stilte als er niemand was. De lerares had hem drie keer bezocht. De eerste keer met drie van zijn gedichten die ze heel bedachtzaam had verbeterd, de tweede keer met het tijdschrift dat zijn gedichten had gepubliceerd en de derde keer met een handvol brieven van de overige leerlingen van de klas. "Het is wonderlijk hoe jij zo maar lyrische gedichten weet te schrijven die een mens haast doen geloven dat hij luistert naar een melodie, zonder vaste inhoud en toch met zo'n verhalende kracht. Jij wordt een grote minnaar van de nieuwe literaire taal! Je bent al goed op weg om de liefde in je verzen te verbuigen. Dat is ontzettend knap. En jouw laatste artikel bevat zoveel goede en logische standpunten, waarbij je uiterst zelfstandig alle werkwoordelijke uitdrukkingen gebruikt waarmee je het ooit zo moeilijk had..." Hij kan zich niet precies herinneren waarom, maar plotseling besloot hij terug naar school te gaan. Tot op zekere hoogte liet het hem daarbij koud welke taal het eerst in hem opkwam als hij tijdens de wiskundeles gedichten schreef die het liefst van al over niets bijzonder zouden gaan. Het was ook op één van die dagen dat hij thuis in Vestegnen de boeken in zijn boekenkast grondig begon in te delen in A en B. Vreemd genoeg kon het hem niet schelen dat de Turkse en Deense dichtbundels niet langer dezelfde plank deelden in de boekenkast. De schrijfmachines hadden nu ook elk hun eigen hoek gekregen, waarbij ze elk in hun richting keken en geen enkele connectie meer hadden met elkaar.
Lees een fragment uit "Jens Munk" van Thorkild Hansen. Thorkild Hansen - Jens Munk Thorkild Hansen (1927-1989) studeerde literatuurwetenschap en begon zijn carrière als journalist en literatuurcriticus. Hij woonde een aantal jaren in Parijs en nam deel aan archeologische expedities in Jemen, Nubië, arctisch Canada, Ghana, West-Indië en de Cycladen. In 1989 overleed hij tijdens een zeilzwerftocht over de Caraïbische Zee. Zijn verblijf in het buitenland en zijn kennismaking met vreemde culturen resulteerden in een succesvol oeuvre van reisboeken en documentaire romans. Hansens werk is in vele talen vertaald. In 2005 verscheen bij De Geus Het gelukkige Arabië , over de eerste wetenschappelijke expeditie naar Arabië. Diederik Grit en Edith Koenders ontvingen voor de vertaling van Het gelukkige Arabië de Amy van Marken-prijs. In het jaar 1619 geeft koning Christian IV van Denemarken opdracht aan kapitein Jens Munk om de mogelijkheid van een noordwestelijke doorvaart naar China te onderzoeken. De ambitieuze Christian heeft grootse plannen en de arctische doorgang moet toegang verschaffen tot de rijkdommen van de Oriënt. Een noordelijke route zou de reistijd aanzienlijk kunnen bekorten. Er wordt zelfs geloofd dat de afstand slechts eenvijfde van de traditionele reis via Afrika en de Indische Oceaan bedraagt. In mei 1619 zeilt kapitein Munk met twee schepen en 64 mannen uit de haven van Kopenhagen. Het zal een reis met een dramatisch verloop worden. Door het slechte navigatiegereedschap kunnen ze onmogelijk hun positie bepalen. Het verslechterende weer, ijsschotsen en zeestromingen maken de schepen willoos en de expeditie kan de veilige Hudson Bay niet vinden. Als Munk na veel afzien eindelijk de toegang gevonden heeft, is hij genoodzaakt de naderende winter vastgevroren bij Munkhaven af te wachten. Pas in juni 1620 biedt het ijs eindelijk weer doorgang. Er zijn dan nog drie overlevenden. Onder hen is ook Jens Munk. Tekstfragment: De winter hield aan. `Hij kreeg zijn zin en nam er de tijd voor', merkt de kroniekschrijver bitter op. Hoewel de zon al bijna dag en nacht scheen, bezat de winter nog kracht genoeg. Op deze Pinksterdag, de vierde juni van het jaar onzes Heren 1620, strekte de witte sneeuwvlakte zich noordwaarts als een lange deken tot aan de horizon uit. Nergens schitterde een streep blauw water in het licht. De Hudsonbaai was een gladde, verlaten dansvloer, waar de wind een enkele schim ten dans vroeg. Een eind verderop in de riviermonding zaten de Deense schepen vast in het ijs. Het kleinste van de twee, het jacht de Lamprei, was aan wal getrokken, terwijl het fregat de Eenhoorn slagzij had gemaakt en honderdtwintig vadem uit de kust lag. Het kruiende ijs omkranste de geteerde scheepsflanken als een Lutherse domineeskraag. Vanaf het achterdek weerklonk een aanhoudend gebonk over het land. Daar lagen de houten hutten van de timmerman nog altijd dik onder de sneeuw. De grauwe gans was al aan de trek naar het noorden begonnen: grote vluchten vogels vlogen onaangedaan over. Er was hier geen mens, hier waren alleen de doden en die richtten hun musketten niet op een lekkere wilde gans. In de sneeuw stonden vijftig houten kruisen en tussen het grootste schip en de kust lagen her en der de mannen die niet eens een houten kruis hadden gekregen. Sommigen lagen half onder een sneeuwduin; het zag eruit alsof ze het koud hadden en bij gebrek aan een echt graf al liggend een wit dekbed over zich heen hadden proberen te trekken. Maar zoals op die koude dag in april de hoogedelgeboren Movritz Stygge reeds min of meer tot zichzelf zei, terwijl hij zijn kapotte handen op de reling legde en over de kruisen uitkeek: `De doden hebben het niet koud, integendeel. Menigeen van die arme duivels zou wensen dat het wat minder heet was op de plek waar hij zich nu bevindt.' Deze diepzinnige woorden werden uitgesproken op 7 april in het jaar onzes Heren 1620. Vijf dagen later werden er aan boord drie nieuwe houten kruisen getimmerd. Een daarvan was voor de heer Movritz. Maar dat is alweer langgeleden en nu is het hier in de Hudsonbaai heel stil. Het enige geluid dat deze lange Pinksterdag opklinkt, is het regelmatige gebonk van een stuk touwwerk boven in het grootste schip, dat losgeraakt is van de takelage en dat met korte tussenpozen een takel tegen de zijkant van het achterkasteel slaat. Vlak bij het schip liggen drie zwarte gedaanten, maar geen van hen vraagt wat daar boven hun hoofd toch zo aan het bonken is. Ze liggen op het dek met hun gezicht naar beneden en met de armen gespreid alsof ze zich zelfs in de dood nog aan het hellende schip willen vastklampen. Ze varen. Ze vragen niets. Dat hebben ze nooit gedaan. Varen is noodzakelijk. Vragen stellen niet. Onder in de achterkajuit was het vuur in de bronzen vuurpot gedoofd. Door het ronde raam aan de zijkant viel de pinksterzon het vertrek binnen, ontdekte een rol touw, beroerde een tinnen kroes en tekende de omtrek van een paar donkere gestalten. Ook hier binnen lagen drie mannen. De kapitein lag te rusten in de kooi bij de tafel. Hij zag er oud en geteisterd uit, was vroegtijdig grijs geworden. Op de brits links lag de zeilmaker, en de koksjongen had zich op de vloer voor de kooi van de kapitein uitgestrekt en zijn hoofd in zijn kapotte handen begraven. De pinksterzon gloeide zacht in de deklamp, die aan een balk boven de tafel hing en die de slagzijde markeerde die het schip in het ijs had gemaakt. Met het verstrijken van de dag verschoof het streepje licht van het glanzende messing naar de drie mannen, bescheen eerst de een en vervolgens de ander. Twee van de mannen bleven onbeweeglijk liggen. De derde bewoog. Dat was de kapitein. Hij was nog steeds in leven. Buiten vormde de omgeving een winters decor. Het kruiende ijs was in gouden en donkerpaarse vlakken verdeeld. De sneeuw kleurde blauw. De winter hield aan. Het voorjaar leek zo langzamerhand een heel jaargetijde achter te lopen, maar op deze breedtegraad komt de lente altijd plotseling, zoals William Gordon zei, terwijl hij zijn woorden kracht bijzette met een autoritaire beweging van zijn verminkte hand. William Gordon wist waarover hij het had. Hij was eerste stuurman op de Eenhoorn. Hij had eerder op Cherry Island, de rivier de Petsjora, Groenland, Spitsbergen en Pustozera bij de Barentszzee gevaren. Maar hij kreeg niet de kans om die ervaringen in de Hudsonbaai te toetsen. William Gordon stierf op 8 april. Binnen, in de achterkajuit, probeerde de kapitein zijn berenvacht opzij te schuiven en overeind te komen. De adem die over zijn lippen gleed, vormde wolkjes in de bedompte ruimte. Eindelijk slaagde hij erin zijn benen over de rand van de kooi te brengen, waarna hij een tijdje bleef zitten, terwijl hij met zijn handen op de tafel leunend tegen duizeligheid vocht. De kajuit rolde van links naar rechts; het leek alsof het schip zich ineens van het ijs had losgerukt, maar vervolgens belandde het weer in rustiger vaarwater en hervond het stukje bij beetje dezelfde slagzij als voorheen. De kapitein tilde zijn hoofd op van zijn handen, zijn gezicht was breed en plomp, zijn blik aandachtig, helder en scherp. Hij keek het vertrek rond, de zeilmaker sliep, de koksjongen was dood. Toen richtte hij zijn blik op zijn onderarmen, die op tafel waren blijven liggen, trok voorzichtig zijn wanten uit en staarde even naar zijn kapotte handen, alsof hij maar moeilijk kon geloven dat die hem toebehoorden. Het licht viel bijna loodrecht naar binnen, nog even en de duisternis zou vallen. Hij trok het scheepsjournaal dat op tafel lag naar zich toe. Het kwetsbare omslag van perkament was bevlekt met bloed, op de eerste bladzijde waren een paar zinnen neergekrabbeld. Emtrar sempre deue de comesar Vida Noua Vida. Een Portugese spreuk, die erop neerkomt dat we vanaf het begin van ons korte aardse leven dienen te streven naar het binnentreden in het nieuwe leven. Naast de woorden stond een rijtje getallen. Het was een rekensom. De uitkomst bedroeg 1105 mark, 5 schelling en 8 witjes. Er zat geen traan meer in de deklamp. Als hij nog langer wachtte, zou het te donker worden. Voorzichtig stak hij zijn hand in zijn binnenzak waar hij een flesje Chinese inkt bewaarde om het tegen de vorst te beschermen. Toen pakte hij de ganzenveer van tafel, schoof de rommel een beetje opzij en sloeg de bladzijde op waar zijn laatste aantekeningen eindigden. Dat was halverwege een rechterbladzijde. Hij zat een poosje peinzend boven het papier, zijn gezicht zo rood als een baksteen, zijn bovenlijf kort onder de brede schouders. De zeilmaker ademde in zijn slaap, de losgeraakte talie bonkte tegen de wand van de kajuit. De kapitein doopte de ganzenveer in de inkt, leunde verziend naar achteren en terwijl hij elk woord met zijn lippen vormde, schreef hij deze laatste zinnen op:
4 juni 1620 Daar ik heden de hoop heb opgegeven nog langer op deze wereld te zullen voortleven, bid ik uit de naam van God, dat indien er christelijke mensen naar hier komen, zij mijn arme lichaam met dat van de anderen in de aarde willen begraven, zich beloond wetend door God in de hemel, en dat dit verslag mijn Genadige Koning zal worden toegezonden (aangezien ieder woord dat hierin staat op waarheid berust), opdat mijn arme echtgenote en kinderen misschien nog enig voordeel kunnen hebben van mijn tragisch lot en erbarmelijk verscheiden. Een goede nacht aan de wereld en moge mijn ziel in Gods hand rusten. Jens Munk
Lees een fragment uit de documentair-historische roman 'Het gelukkige Arabië' van Thorkild Hansen. Het boek beschrijft de Deense expeditie naar Arabië van 1761 tot 1767.
Vertaald door Diederik Grit en Edith Koenders Tekstfragment: Op een windstille winterochtend, de 4 e januari 1761, wordt een reisvaardig gezelschap van vijf man vanaf de kade bij het Tolhuis naar de rede van Kopenhagen geroeid. Staande, met de zon in de rug, zien ze de stad liggen. De kleine kosmopolitische hoofdstad, met het splinternieuwe, door Eigtved ontworpen paleiscomplex Amalienborg en de voorname huizen daaromheen, verdwijnt langzaam in de verte, beschenen door het vale januarilicht. Vóór hen, in een streep zonlicht, wacht het oorlogsschip Groenland. Als ze hun ogen samenknijpen, zien ze de masten en de tuigage in het tegenlicht, en bij de aanblik van het zwarte silhouet heeft deze of gene van het gezelschap zich misschien enigszins beklemd gevoeld. In de komende maanden zal dit schip met hen de lange reis maken langs de noordpunt van Jutland en helemaal door de Middellandse Zee naar Constantinopel. Vandaar zullen ze zelf verder reizen naar Alexandrië, Caïro en Suez, en verder over de Rode Zee, tot aan de zuidpunt van het Arabisch schiereiland, naar het wonderland met wierook, mirre en balsem, het paradijs op aarde, dat de jonge Alexander zo graag veroverd zou hebben, maar waar niemand ooit geweest is, ook de jonge Alexander niet, en dat misschien juist doordat niemand er ooit geweest is, al vanaf de Oudheid bekendstaat onder de naam Arabia Felix, het Gelukkige Arabië. De vijf mannen in de roeiboot hebben het in hun aantekeningen ook wel over `l'Arabie Heureuse' en `Das Glückliche Arabien'. Slechts twee leden van het gezelschap zijn Denen; verder bestaat het uit twee Duitsers en een Zweed. Ze zijn allen nog jong, de oudste is nog geen drieënveertig, de jongste bijna achtentwintig jaar. Een aantal jaren zullen ze uitsluitend op elkaars gezelschap aangewezen zijn, maar op dit moment kennen ze elkaar hooguit een paar weken. Het is dan ook begrijpelijk dat er een zekere stilte tussen hen heerst, zoals ze daar in de roeiboot naar het schip staan te kijken. Ze zijn op weg naar het Gelukkige Arabië, maar geen van hen lijkt echt gelukkig bij die gedachte. Het verre en onbekende lijkt altijd zo aanlokkelijk, maar wie zich aan dat verlangen overgeeft, ontdekt gewoonlijk dat het onbekende ook een dreigend gezicht heeft. Dat is de ene kant van de zaak. Daar kunnen we slechts naar gissen. We hoeven echter niet te gissen naar de andere en waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak van het stilzwijgen waarin het gezelschap zich deze eerste minuten van de reis hult. Die oorzaak is helaas een feit. Om uiteenlopende redenen wordt de kleine groep mannen reeds op dit moment verdeeld door bittere onderlinge strijd. De pers heeft daar natuurlijk geen weet van. Als het nieuws een week later, op 12 januari 1761, op de voorpagina van de Kiøbenhavnske Danske Posttidende staat, ziet het bericht er als volgt uit: `Daar Zijne Majesteit, ondanks Zijn ernstige regeringszorgen in deze zware tijden, er onophoudelijk naar streeft om, tot meerdere glorie van Zijn volk, de uitbreiding van Kennis en Wetenschappen te bevorderen door middel van nuttige en prijzenswaardige ondernemingen, heeft Hij met het enige dagen geleden naar de Middellandse Zee vertrokken schip "Groenland" een gezelschap geleerden naar Constantinopel gezonden, dat vandaar door Egypte naar het Gelukkige Arabië zal reizen en vervolgens de terugreis door Syrië naar Europa zal aanvaarden, daarbij overal nieuwe ontdekkingen doende en aantekeningen makende, ten gunste van de Wetenschap, terwijl deze geleerden tevens nuttige oriëntaalse handschriften alsmede oosterse naturalia en rariteiten zullen verzamelen en naar hier opsturen. Dit gezelschap bestaat uit de volgende vijf personen: 1) Professor Friderich Christian von Haven, als Philologus. 2) Professor Peter Forsskål, als Physicus en Botanicus. 3) Ingenieur-Luitenant Carsten Niebuhr, als Mathematicus en Astronomus. 4) Dr. Christian Carl Cramer, als Medicus en Physicus, en 5) de heer Georg Wilhelm Baurenfeind, als tekenaar en kopergraveur. Het verblijf van deze mannen in het Morgenland zal enige jaren duren, en aangezien zij zich allen gedurende enige jaren op dit doel hebben voorbereid, hoopt men dat hun vlijt en kunde met Gods zegen vruchten mogen afwerpen, zowel voor de bloei van de wetenschappen in het algemeen als voor de nadere verklaring van de Heilige Schrift in het bijzonder.' Gesteund door deze hooggespannen verwachtingen begon de Deense expeditie naar Arabië, die zo'n droevig verloop zou krijgen. Het was de eerste expeditie van enige omvang die vanuit Denemarken werd ondernomen en bovendien de eerste expeditie die vanuit enig land ter wereld naar Arabië werd gezonden. Reeds onder de tijdgenoten baarde de Deense reis daarom veel opzien. In heel het naar kennis hongerende Europa van de Verlichting volgden velen de vermetele tocht met grote aandacht, en wetenschapslieden van alle vooraanstaande universiteiten van het Europese continent zonden vragen naar de expeditieleden, in de hoop dat die de antwoorden zouden kunnen vinden tijdens hun verkenningen in de onbekende landen. De rest van de eeuw zou `de Arabische reis', zoals ze genoemd werd, omgeven zijn door een stralend schijnsel, vanwege de vele nieuwe ontdekkingen die de tocht ondanks alle rampspoed opleverde. Zelfs honderd jaar later nog noemen Engelse ontdekkingsreizigers `de expeditie van Carsten Niebuhr', zoals ze dan wordt genoemd, met de grootste eerbied. Pas door de ontdekkingsreizen in de daaropvolgende decennia, vooral in de arctische gebieden, lijken de moedige Niebuhr en zijn mannen overschaduwd te worden, om vervolgens vrijwel geheel in de vergetelheid te raken. De Groenland vertrok uit Kopenhagen in 1761, maar de grondslag voor de reis werd al in mei 1756 gelegd. De fantasierijke Duitse theoloog en oriëntalist professor Johann David Michaelis uit Göttingen, een man die bekendstond om zijn originele ideeën, wendde zich in deze maand tot J.H.E. Bernstorff in Kopenhagen. De bekende professor had weer een ongewoon plan uitgedacht. Hij stelde de Deense minister van Buitenlandse Zaken voor om enkele van de zendelingen die jaarlijks naar Trankebar werden gestuurd, een zodanige opleiding in Denemarken te geven dat ze in staat zouden zijn om studiereizen in Zuid-Arabië te maken. Göttingen was de universiteitsstad van Hannover, en aangezien Hannover op dat tijdstip in een personele unie met Engeland verbonden was, had het Engelse empirisme hier gemakkelijker kunnen doordringen dan op de meeste andere plaatsen op het continent. Professor Michaelis was deïst en empiricus; hij had volledig afstand genomen van de oude opvatting van de Bijbel als een boek waarvan elk woord door God geïnspireerd was en derhalve onaantastbaar. Hij beschouwde de bijbelse geschriften als algemene teksten, die aan onafhankelijke historische en taalwetenschappelijke kritiek konden worden onderworpen, en tijdens zijn bijbelstudie was de gedachte bij hem opgekomen dat een reis naar Arabië mogelijk een nieuw licht zou werpen op een lange reeks vragen die rezen tijdens de zuiver taalkundige analyses van de Heilige Schrift. Een dergelijke reis bood bijvoorbeeld gelegenheid om te zoeken naar de in Arabië voorkomende planten en dieren die ook in de Bijbel worden genoemd, en om deze vervolgens te onderzoeken en determineren. Geleerden konden de geografie van Arabië bestuderen en daarbij speciaal letten op de belangrijke kwestie rond eb en vloed in de Rode Zee, die van zo grote betekenis was voor de verklaring van de vlucht der Israëlieten uit Egypte. Ten slotte, zo meende Michaelis, zouden de geleerde reizigers zich moeten verdiepen in de dagelijkse gewoonten en de bouwkunst van de Arabieren. Zijn gedachte daarachter was dat er slechts op weinig plekken op aarde een zo conservatief volk bestaat als het Arabische, en dat daarom de kans om cultuurvormen tegen te komen die beantwoordden aan de omstandigheden in het oude Israël, in Arabië groter was dan in Palestina zelf, dat in de tussenliggende eeuwen aan talrijke vreemde invloeden blootgesteld was geweest.
Lees enkele passages uit de Nederlandse vertaling van het Deense jeugdboek "Strømsvigt" ("Stroomstoring") door Daniel Zimakoff & Ida Marie Rendtorff - Vertaald door Els De Graef - Tobias en Sofie 1. Het was niet moeilijk om te liegen. Het werd pas lastig als je met de leugen werd geconfronteerd. Om tien voor zes zonk de moed hem in de schoenen. Tobias schreef snel een briefje, verliet het volkstuinhuisje en trok de deur achter zich dicht. Hij deed ze niet op slot, maar kleefde het briefje op de deur. Wat plakband boven en beneden, opdat het briefje niet zou wegwaaien. De tape bleef moeilijk plakken op de vuile deur. Hij wierp een blik op wat hij had neergekrabbeld en repte zich naar zijn fiets. Als de bliksem terug naar de Klaverveldweg. De heuvel af. Tobias sloeg linksaf bij de kruidenier en plaatste zijn fiets op de kleine parking die daartoe in de volkstuin was voorzien. Hij tuurde naar de Klaverveldweg. Niemand te zien. Daarna rende hij terug naar het huis en verborg hij zich achter een struik in de voortuin. Hij hapte naar adem, het korte sprintje had hem de adem afgesneden. Verscholen achter de struik had hij zicht op de deur zonder zelf gezien te worden. Door de bladeren van de struik suisde een bitterkoude wind, het leek wel herfst, ook al was het maar begin september. Natuurlijk hoorde Sofia te waarheid te weten. Hij had het geprobeerd, toen ze hem twee uur geleden had gebeld, maar hij kreeg het niet over zijn hart om haar alles op te biechten. Om haar te vertellen dat er een misverstand had plaatsgevonden, dat hij haar de verkeerde foto had opgestuurd. Een foto van David. Ze zou een verklaring van hem eisen en hij wilde niet praten over David. Gek toch dat ze hem moest bellen. Kende ze dan niemand anders in Kopenhagen? Tenslotte hadden ze elkaar nog nooit persoonlijk ontmoet. Wat was dat voor een geluid? Was het enkel maar de wind? Er kwam iemand aan. Het tuinhek kraakte en zwaaide open. Eerst herkende hij haar niet, want ze droeg een hoop meer kleren dan op de zomerfoto die ze hem had opgestuurd en haar haren zaten vreemd. Maar het was onmiskenbaar Sofia. Op rolschaatsen, dat was het geluid dat hij had gehoord. Sofia zette zich neer en trok haar rolschaatsen uit. Ze leek vermoeid. Ze keek zijn richting uit en Tobias dook zonder verder na te denken weg. Hij voelde zich als een vieze gluiperd in een geflipte film. Daarna stond ze op. Ze liet haar ogen glijden over het briefje op de deur en fronste de wenkbrauwen. Ze keek nogmaals om en Tobias bukte zich opnieuw. Even later hoorde hij een gekraak. Sofia was het huis binnen gegaan en had de deur achter zich gesloten. Tobias probeerde tevergeefs haar door de ramen heen te bespeuren. Was ze de kamer in gegaan? Hij ging om het zwarte houten huis heen, de helling af, richting kanaal. Het gras op het kleine wegeltje langs het water voelde nat, bijna drassig, het had gisteren dan ook de ganse dag geregend. Hij zou koude voeten krijgen. Net als op de begrafenis van David, nu bijna zes weken geleden. Zijn hart bonkte hevig in zijn lijf. Misschien moest hij het hele idee maar laten varen. Tobias sloot zijn jack tot net onder de kin. Aan de andere kant van het kanaal lag Christiania. Eenmaal waren ze daar samen geweest. David en Tobias, in de straat van de dealers. David had een gram hasj gekocht. Een groezelig groenig klompje, een gigantische snottebel, had David gezegd. In Volden hadden ze er samen van gerookt, David had met de ogen gerold en "vette shit!" geroepen. Daarna was Tobias in een nooit geziene hoestbui ontstoken en het uitje eindigde met een kotsbeurt in het Kanaal. Hij kon zich de smaak in zijn mond nog levendig herinneren. Altijd was het David die het voortouw nam en zat Tobias hem op de hielen. David was de leider van de straat en van de klas geweest, daar bestond geen twijfel over. Hij was de kapitein en Tobias de luitenant. David was in alles de beste. Hij was de grootste, de sterkste, de beste in sport en Deens, voor niets of niemand bang, behalve dan voor water. Het was enkel in het water dat Tobias zich niet de mindere voelde van David. "Als mensen waren voorbestemd om te zwemmen, dan hadden ze kieuwen en zwemvliezen gehad", antwoordde David dan gewoonlijk. Hij kon goed zwemmen, natuurlijk kon hij dat, maar lang niet zo goed als Tobias. Een schaduw. Daar stond ze. Bij het venster achter de gordijn. Ze keek naar buiten. Hij bukte zich. Nu had ze toch een slaapplekje. Goed. Dus kon hij even goed naar huis. Dat hij haar de verkeerde foto had opgestuurd en dat David dood was, hoefde ze niet te weten.
Sofia en Tobias 1. Bijna daar. Het prikkende gevoel in Sofia's maag balde zich samen tot een steek in de zij en aan haar rechterhiel hoorde ze haar inlineskates knarsen. Het kon hooguit nog een paar kilometer zijn. Ze reed langs de Knuppelbrug. De wind drukte als een koude deken tegen haar borst en bracht haar verzuurde benen aan het koken. Op een gevel aan de andere kant van het grauwe water versprongen de lichtgevende digitale cijfers en toonden ze 17u33. Negen uur en tweeëntwintig minuten waren er voorbij. Exact negen uur en tweeëntwintig minuten geleden was ze thuis de inrit uitgereden, terwijl haar mond nog smaakte naar de leugen die ze haar vader had gevoerd. Bijles wiskunde om half negen op een zondagochtend! Hij was erin getuimeld. Je kon hem tegenwoordig wijsmaken wat je wilde. Hij had de wenkbrauwen gefronst, maar geen enkele vraag gesteld. Ze had net genoeg geld gehad voor een ticketje voor de veerboot van Aarhus naar Kalundborg, daarna had een koppel uit Roskilde haar een lift gegeven. De laatste dertig kilometer had ze al skeelerend afgelegd. Rechtdoor via de Marktstraat. Ze kruiste een klein kanaal. De aangemeerde boten bonkten en beukten tegen elkaar als poogden ze zich van de kade los te wrikken. Ze vervolgde haar weg over een soort van vestinggracht. Bij het verkeerslicht moest ze links afslaan. Groen, oranje. Een zilverkleurige auto met getinte ramen toeterde heftig. Had kennelijk gedacht dat ze voor het oranje licht zou stoppen. Ze toonde de chauffeur haar middelvinger en haastte zich verder. De steek in haar zij boorde zich vast en verspreidde zich als vuurtongen doorheen haar borst. Tobias had haar haarfijn uitgelegd welke weg te volgen en ze bereikte de Klaverveldweg zonder enig probleem. Dit was dus die woestenij met voetbalvelden aan de ene kant van de weg en een mierzoete idylle van volkstuinen aan de andere. 'Volkstuinvereniging Strandheuvel'. Was dat niet de naam? Ze hield halt en controleerde het gekreukte papiertje, waarop ze het adres had neergepend. Ze verliet de brede weg en skeelerde door de traliepoort naar binnen. Ze reed langzaamaan de heuvel op, terwijl ze speurde naar een zwart gebeitst houten huis met ramen met witte spijlen. Boven de hoofdingang hoorde er 'Tuinplezier' te staan. 'Tuinplezier'! Dat sloot natuurlijk naadloos aan bij de miniwindmolens en plastic ooievaars die op de grasperken stonden te pronken. Hij had haar zijn gsm-nummer gegeven via e-mail. Omdat de laatste zes cijfers overeenstemden met haar geboortedatum kon ze het makkelijk onthouden. 28 07 87. Toen ze hem gisterenmiddag had opgebeld, klonk hij - Tobias - lichtelijk verrast. Het leek haar haast alsof het hem bijzonder ongelegen uitkwam om bezoek van haar te krijgen. Om een of andere reden had ze zich zijn stem heel anders voorgesteld, ze had verwacht dat ze krachtiger zou klinken. Ze had dan wel een helder beeld van hem voor ogen, toch kenden ze elkaar niet bijster goed. Op school had ze voor het vak 'Deens' de opdracht gekregen om met hem te mailen. Schrijf iets over iemand uit de grote stad. Een fraai staaltje van opvoedkunde. Ze kende Tobias alleen maar van het luttele aantal mails dat hij geschreven had en van de foto die hij in zijn eerste brief had bijgevoegd. Wel een niet onaardige kerel met goudgeel piekjeshaar en glinsterende ogen, die haar de indruk gaven dat hij best voor veel te vinden was. Maar misschien bleek de vraag van een 16-jarig Juts meisje om bij hem te overnachten toch net een brug te ver, ook al was het enkel voor één nacht. Het was akelig stil geworden aan de andere kant van de lijn. Ze hoefde hem helemaal niet te bellen, maar ze had niet veel keuze, want buiten hem kende ze in Kopenhagen niemand anders. Enkel Steen en die kon ze niet bereiken. Gedurende al de jaren dat haar moeder met Steen in een band had gespeeld, hadden ze - wanneer ze in Kopenhagen was - telkens gelogeerd op de tweede etage van zijn huis van de woningbouwvereniging. Een coole flat die uitzicht bood over de meren, tenminste als je ver genoeg uit de ramen durfde leunen. Maar nu was hij blijkbaar niet thuis. En op haar eentje 's nachts door Kopenhagen dwalen leek haar niet bepaald aanlokkelijk. |
||||
|
Koningsstraat 35 Rue Royale- B-1000 Bruxelles - Belgien |
||||